Back to contents

Bijwerkingen op lange termijn

Published: 14 July 2010

Nieraandoeningen

Tenofovir (Viread, ook in de combinatiepillen Truvada en Atripla) wordt door het lichaam verwerkt via de nieren.

Er zijn aanwijzingen dat mensen met andere risicofactoren op nieraandoeningen (bijvoorbeeld hoge bloeddruk of suikerziekte) een verhoogd risico op nieraandoeningen hebben als ze tenofovir gebruiken.

De tegenwoordig weinig voorgeschreven proteaseremmer indinavir (Crixivan) kan nierstenen veroorzaken. Deze kunnen behandeld worden in een polikliniek, maar het kan ook betekenen dat je korte tijd in een ziekenhuis opgenomen moet worden.

Je hiv-behandelaar zal je standaard op nieraandoeningen testen.

Als je last hebt van nieraandoeningen moet je misschien overstappen op andere medicatie of de aandoening laten behandelen.

Lipodystrofie

De term lipodystrofie wordt gebruikt voor veranderingen van je lichaamsvorm. Aanvankelijk werd gedacht dat lipodystrofie veroorzaakt werd door proteaseremmers, maar tegenwoordig denkt men dat een aantal hiv-remmers van het type NRTI de hoofdoorzaak zijn. De hiv-remmers, die in verband worden gebracht met lipodystrofie – AZT en d4T – worden tegenwoordig zoveel mogelijk vermeden.

Bij sommige mensen die hiv-remmers gebruiken zijn veranderingen in de verdeling van het vet over het lichaam geconstateerd. Bij de een komt er alleen vet bij, bij de ander verdwijnt er alleen vet, terwijl bij weer anderen beide gebeurt. Dit kan leiden tot: een bredere taille (zonder vetrollen), een grotere borstomvang, een toename van de hoeveelheid vet aan de achterkant van de nek en de bovenkant van de rug; een toename van de hoeveelheid vet rondom nek en kaken; vermagering in het gezicht (vooral in de wangen); vermagering van de billen en duidelijk zichtbare bloedvaten in armen en benen (als gevolg van vermagering). Sommige mensen krijgen te maken met kleine bultjes, lipomen genoemd, vooral op armen en benen of op de romp.

Het vet dat zich in de onderbuik verzamelt als gevolg van lipodystrofie bestaat uit hard vet, dat zich ophoopt rondom de organen. Dit leidt ertoe dat de buik naar buiten wordt gedrukt en strak aanvoelt. Het vet dat veroorzaakt wordt door lipodystrofie verschilt van het zachte vet dat zich ophoopt bij mensen die teveel eten of niet genoeg bewegen.

Zoals gezegd worden hiv-remmers die in verband worden gebracht met lipodystrofie tegenwoordig zoveel mogelijk vermeden. Patiënten die AZT of d4T gebruikten en overstapten op tenofovir (Viread) ondergingen een langzame terugkeer van vet aan armen en benen.

Vetverlies in het gezicht kan op verschillende manieren gecompenseerd worden. De meest toegepaste techniek bestaat uit injecties van het product New Fill in de getroffen gebieden. Vraag je hiv-behandelaar of jij in aanmerking komt voor deze behandeling.

Vet dat zich rondom de nek heeft opgehoopt kan operatief verwijderd worden. Dit geldt – indien nodig – ook voor lipomen.

Andere mogelijke behandelingen bestaan uit menselijke groeihormonen en anabole steroïden. Ook hiervoor kun je terecht bij je hiv-behandelaar.

Het is bekend dat regelmatige cardiovasculaire oefeningen en gewichtsoefeningen een positieve bijdrage leveren aan het herstel van de vetverdeling.

Mensen die te maken hebben gehad met een veranderde vetverdeling hebben dit soms als stigmatiserend ervaren. Voor hen is lipodystrofie een zichtbaar teken dat ze hiv-remmers gebruiken. Als je last hebt van lipodystrofie en dit als stigmatiserend ervaart, kan het helpen hier met anderen over te praten. Neem contact op met je hiv-behandelaar als je de behoefte hebt aan (groeps)therapie of behandeling tegen depressiviteit.

Stofwisselingsproblemen

Hiv-remmers kunnen ook je stofwisseling ontregelen. De stofwisseling is de manier waarop je lichaam alle stoffen verwerkt, die het nodig heeft om goed te kunnen functioneren.

Hiv-remmers kunnen zorgen voor een afwijkend bloedlipidengehalte (cholesterol en triglyceriden) en kunnen daarnaast de bloedsuikerspiegel beïnvloeden.

Cholesterol

Er zijn twee typen cholesterol: HDL cholesterol, ook wel ‘goed’ cholesterol genoemd, en LDL cholesterol, ook wel ‘slecht’ cholesterol genoemd.

Het HDL cholesterolgehalte is vaak lager bij mensen met hiv of een andere chronische ziekte. Een hoog LDL cholesterolgehalte is vaak een indicatie dat je meer risico loopt op hart- en vaatziekten. Bij mensen die hiv-remmers gebruiken wordt vaak een hoger LDL cholesterolgehalte gemeten.

Als je een hoog LDL cholesterolgehalte hebt, kunnen de volgende factoren het risico op hart- en vaatziekten verder vergroten:

  • roken;
  • hoge bloeddruk;
  • erfelijke hart- en vaatziekten;
  • slechte fysieke conditie;
  • leeftijd (voor mannen 45+ en voor vrouwen 55+);
  • insulineresistentie of suikerziekte;
  • hoge suikerspiegel;
  • zwaar overgewicht, vooral veel vet rond de taille;
  • gebruik van stimulerende middelen, vooral cocaïne en amfetamines.

Het is vooral belangrijk het LDL cholesterol-

gehalte te monitoren wanneer je een proteaseremmer gebruikt.

Triglyceriden

Triglyceriden zijn vetzuren, die voortkomen uit het vet, suiker en zetmeel in je voedsel. Deze verplaatsen zich door de bloedbaan en worden opgeslagen in lichamelijk weefsel en in de lever. Sommige hiv-remmers kunnen het triglyceridengehalte verhogen.

Glucose

Glucose is een vorm van suiker, die in het bloed voorkomt. Een hoog glucosegehalte kan het risico op hart- en vaatziekten vergroten. Sommige hiv-remmers kunnen het glucosegehalte verhogen.

Insuline

Insuline is een stof, die door het lichaam wordt aangemaakt om het glucosegehalte in het bloed te reguleren. Sommige mensen die hiv-remmers gebruiken moeten meer insuline produceren om het glucosegehalte op een normaal peil te houden. Dit wordt insulineresistentie genoemd. Het kan nodig zijn om je insulinegehalte te laten testen.

Symptomen van veranderingen in de stofwisseling

Een afwijkend vet- of suikergehalte in het bloed kan in sommige gevallen symptomen veroorzaken, waaronder:

  • vermoeidheid;
  • duizeligheid (als gevolg van hoge bloeddruk);
  • concentratieverlies;
  • vaker moeten plassen;
  • dorst.

Sommige mensen hebben echter geen symptomen, zelfs wanneer er bij hen al lange tijd sprake is van een afwijkend vet- en suikergehalte en ze dus een groter risico op hart- en vaatziekten lopen.

Hart- en vaatziekten en hiv-remmers

Het vetgehalte in je bloed kan omhoog gaan wanneer je met hiv-medicatie begint, vooral wanneer je bepaalde proteaseremmers gebruikt. Soms zijn deze waarden zo hoog dat je je eetpatroon moet aanpassen, meer moet bewegen of speciale medicatie moet gebruiken om deze op peil te houden.

Uitgebreide onderzoeken onder patiënten die proteaseremmers gebruiken hebben aangetoond dat er bij deze groep sprake is van een lichte, maar niettemin aanmerkelijke, stijging van het risico op hart- en vaatziekten. Een aantal studies (maar niet allemaal) wijzen erop dat abacavir (de werkzame stof in Ziagen en één van de werkzame stoffen in de combinatiepillen Kivexa en Trizivir) een verhoogd risico op hart- en vaatziekten zou kunnen veroorzaken, vooral bij mensen met andere risicofactoren voor hartaandoeningen.

Als er bij jou sprake is van risicofactoren voor hart- en vaatziekten, moet je extra goed opletten welke combinatietherapie je kiest. Het is niet de bedoeling dat je het risico hierop verder vergroot. En een ‘risico’ op hart- en vaatziekten betekent niet dat je automatisch hiermee te maken zult krijgen. Er zijn veel dingen die je kunt doen om dit te voorkomen.

Ten eerste moet je cholesterol-, triglyceriden- en glucosegehalte regelmatig gemeten worden. Op die manier kan je hiv-behandelaar de eerste waarschuwingstekens al in een vroeg stadium herkennen.

Let op je hart

Je kunt ook veel zelf doen om je bloedlipiden op een veilig peil te houden. Zo kun je een gezonder dieet volgen (met veel vers fruit en verse groente en niet teveel vet), meer bewegen en niet roken.

Lipidenverlagende middelen

In sommige gevallen kan je hiv-behandelaar zogenaamde lipidenverlagende geneesmiddelen voorschrijven. Deze middelen worden gebruikt om hart- en vaatziekten mee te behandelen en bestaan uit statines (die het cholesterolgehalte verlagen) en fibraten (die zowel het triglyceriden- als het cholesterolgehalte verlagen). Sommige statines kunnen reageren op proteaseremmers en zowel statines als fibraten kunnen elk hun eigen bijwerkingen veroorzaken. Je hiv-behandelaar zal dan ook regelmatig tests uitvoeren om te controleren of er bij jou sprake is van deze bijwerkingen.

Ook wordt van een aantal geneesmiddelen onderzocht hoe effectief ze zijn in het reguleren van het glucose- en insulinegehalte van mensen met hiv.

Leveraandoeningen

De meeste hiv-remmers worden via de lever verwerkt. Een klein aantal mensen kreeg last van leveraandoeningen terwijl ze hiv-remmers gebruikten. In veel gevallen was er sprake van andere risicofactoren die schadelijk zijn voor de lever, bijvoorbeeld een hepatitis B- of C-infectie, behandeling met andere medicatie die de lever kan schaden of alcohol- en drugsgebruik.

Je hiv-behandelaar zal standaard tests uitvoeren om de toestand van je lever te monitoren. Als je te maken krijgt met leveraandoeningen zijn er een aantal mogelijkheden. Zo kun je overstappen op andere medicatie of aanvullende behandeling voor je leveraandoening ondergaan.

Verandering van je eetpatroon kan ook helpen. Probeer dus veel vers fruit en verse groenten te eten en vermijd vetrijk voedsel. Teveel alcohol of het gebruik van sommige drugs kan ook schadelijk zijn voor de lever of bestaande leveraandoeningen verergeren. Je hiv-behandelaar kan advies en ondersteuning bieden als je je zorgen maakt om je alcohol- of drugsgebruik.

Perifere neuropathie

Beschadigde zenuwen kunnen een zeer pijnlijke bijwerking van sommige hiv-remmers zijn. Ze kunnen echter ook door hiv zelf veroorzaakt worden.

Neuropathie is schade aan de zenuwen. De zenuwen die kunnen worden beschadigd door sommige hiv-remmers bevinden zich in armen en benen (en in een enkel geval in de mannelijke geslachtsdelen). Deze bijwerking wordt daarom perifere neuropathie genoemd.

Perifere neuropathie bestaat meestal uit schade aan de zenuwen in de onderbenen, de voeten en (minder vaak) de handen. De symptomen variëren van een lichte tinteling en een verdoofd gevoel tot ondraaglijke pijn, die het onmogelijk maakt om zelfs een paar sokken te dragen. In de meeste gevallen worden beide zijden van het lichaam even zwaar getroffen.

Andere symptomen van perifere neuropathie zijn onder andere duizeligheid, diarree en seksuele stoornissen bij mannen (geen erectie kunnen krijgen of volhouden).

De twee belangrijkste hiv-remmers die perifere neuropathie kunnen veroorzaken zijn d4T en ddI. Deze middelen worden tegenwoordig alleen nog voorgeschreven als je geen andere behandelingsmogelijkheden meer tot je beschikking hebt. Er zijn aanwijzingen dat het gebruik van 3TC gepaard gaat met het risico op perifere neuropathie.

Neuropathie kan ook veroorzaakt worden door andere medicatie die vaak aan mensen met hiv wordt voorgeschreven, zoals een aantal antibiotica, geneesmiddelen tegen TBC en therapieën tegen Kaposi sarcoom (vaak afgekort als KS).

Als je last hebt van perifere neuropathie als gevolg van medicatie, is het belangrijk dat je onmiddellijk overstapt op andere medicatie. Vraag echter altijd eerst om advies bij je hiv-behandelaar voordat je veranderingen aanbrengt in je behandeling. Nadat je gestopt bent met het gebruik van de medicatie, die de neuropathie veroorzaakt, kan de neuropathie gedurende een aantal weken verergeren. Maar daarna gaat hij in bijna alle gevallen geleidelijk weg.

In de tussentijd kan je hiv-behandelaar je iets voorschrijven tegen de pijn. Uit onderzoek is gebleken dat het geneesmiddel L-Acetyl-Carnitine de symptomen van neuropathie kan verminderen.

Mensen met hiv kunnen op verschillende manieren te maken krijgen met beschadigde zenuwen, bijvoorbeeld door de hiv zelf, door andere infecties of door problemen rondom je eetpatroon. Het is dus erg belangrijk dat je contact opneemt met je hiv-behandelaar zodra je een tintelend, verdoofd of pijnlijk gevoel in je benen hebt, zodat de precieze oorzaak onderzocht kan worden.

Community Consensus Statement on Access to HIV Treatment and its Use for Prevention

Together, we can make it happen

We can end HIV soon if people have equal access to HIV drugs as treatment and as PrEP, and have free choice over whether to take them.

Launched today, the Community Consensus Statement is a basic set of principles aimed at making sure that happens.

The Community Consensus Statement is a joint initiative of AVAC, EATG, MSMGF, GNP+, HIV i-Base, the International HIV/AIDS Alliance, ITPC and NAM/aidsmap
close

This content was checked for accuracy at the time it was written. It may have been superseded by more recent developments. NAM recommends checking whether this is the most current information when making decisions that may affect your health.

NAM’s information is intended to support, rather than replace, consultation with a healthcare professional. Talk to your doctor or another member of your healthcare team for advice tailored to your situation.